Nederzetting
Baarlo ligt ongeveer 6 kilometer ten zuiden van Venlo op de westoever van de Maas. Het dorp is
ontstaan op de grens van het lage Maasterras en een hoger gelegen dekzandgebied (de Peelhorst).
Uit
archeologische vondsten is gebleken dat Baarlo al een lange geschiedenis kent. Zo is aangetoond dat
er ten westen van het dorp een oude nederzetting heeft bestaan uit het stenen en ijzeren tijdperk.
Een belangrijke Romeinse heerbaan
lag aan de westzijde van de Maas. Deze kwam uit de richting van Cuyk en liep over Blerick, Heel en Maaseik
naar Maastricht. Ook in Baarlo hebben de Romeinen sporen achtergelaten.
Zo werden in de nabijheid van de kerk en ten zuidwesten van het dorp Romeinse vondsten gedaan waartoe onder
meer twee Epona beeldjes en enkele urnen. Bij de sloop van de oude parochiekerk in 1875 trof men ter hoogte van het
koor fundamenten aan van kwarts-silicaten met klei en leem samengevoegd waarop een stuk muur. Men
veronderstelde destijds resten van Romeinse oorsprong gevonden te hebben.
In 1955 deed men een opmerkelijke vondst van eikenhouten heipalen en dakpannen bij de voorbereidingen
voor de bouw van een nieuwe school ten noorden van de kerk. Omdat men het project
niet wenste stil te leggen en door het opkomende water werd er ter plaatse geen nader onderzoek
verricht. Mogelijk bestond er een relatie met de nabij gelegen Romeinse villa in Hout-Blerick die seizoensarbeiders
betrok uit omliggende nederzettingen.
De Romeinse nederzettingen in onze streek bereikten hun
grootste omvang in de 2e eeuw (na Chr.) Vanaf de 3e en 4e eeuw raakte het gebied grotendeels ontvolkt. Daarbij gingen ook de
ontginningen uit Romeinse tijd grotendeels verloren. De achtergebleven bevolking keerde terug naar de
agrarische nederzettingsvorm van vóór de Romeinse tijd. De bewoning concentreerde zich vervolgens voornamelijk
in het rivierdal van de Maas.
Vanaf de 8ste eeuw raakte het Maasdal weer bevolkt waarbij sprake was van
een verspreid vestigingsgebied. De nederzetting Baarlo kreeg definitief vorm en werd kerspel.
De kleinere nederzetting Soeterbeek, ten westen van Baarlo, werd één van Baarloos kleinere buurtschappen.
Omdat niet vaststaat wanneer de bouw van Huys en de Borch plaatsvond is het niet mogelijk om de
relatie vast te stellen tussen de oude nederzetting en het kasteel.
Omdat de nederzetting zich zichtbaar op enige afstand bevindt van Huys en de Borch vormt deze geen
direct onderdeel van de versterking. Mogelijk heeft de bouw van de versterking wel bijgedragen aan de
definitieve locatie van de nederzetting want de versterking was immers aantrekkelijk uit
veiligheidsoverwegingen. Daarnaast kon er in de nabijheid van het kasteel ook handel gedreven worden.
Het toponiem Baarlo bestaat uit de woorddelen Baar, dat niet begroeid, en lo,
dat open plek in het bos betekent. Henri L'Escaille bracht het toponiem in verband met Baldur,
de Germaanse God Wodan.
In de 3de en 4de eeuw werden de zuidelijke Nederlanden vanuit het Rijn- en Maasland gekerstend. De eerst-bekende
bisschop was de heilige Maternus. In de Civitas Tungrorum (Tongeren) zetelden vanaf ongeveer 320 de eerste bisschoppen.
Eén van hen was de heilige Servatius, die in 384 te Maastricht werd begraven. Andere bisschoppen die in Maastricht
verbleven waren de heiligen Monulfus en Gondulfus in de 6de en 7de eeuw en Hubertus. De heilige Lambertus
die omstreeks 700 leefde verplaatste de Maastrichtse bisschopszetel naar Luik. In het midden en noordelijke
gedeelte van de huidige provincie Limburg missioneerden in de 8ste eeuw de heiligen Wiro, Plechelmus en Wilibrordus. Deze gebieden
behoorde vanaf de 10de eeuw eveneens tot het bisdom Luik. Het is mogelijk dat in de deze of de daarop volgende eeuw in
Baarlo een romaans Petruskerkje kan hebben bestaan. Aanwijzingen hiervoor ontbreken echter.
Huys ende Borch
De meest in het oog springende bouwwerken aan de oostzijde van de Markt zijn de sprunk, de watermolen en
kasteel d'Erp. Het kasteel ontleent zijn
naam aan de laatste adelijke bewoners, de familie d'Erp. In 1388 wordt melding gemaakt van onse Huys
ende Borch geheiten Baerlo gelegen in den lande van Kessel mit hoeren vesten ende graven, mit allen
den heerlyckheyden, buschen, vischen, weyden, gueden ende toebehoren, als die selige Heer Willem van
Baerlo, doe hij leefde, plach toe hebben. Het betreft een akte van verkoop waarbij Willem van Gulik, hertog van
Gelre het leengoed verkoopt aan onse raedt, Jacob van Montfort. Uit 1219 dateert een oorkonde
waarin we de naam Barlo aantreffen. Hendrik, graaf van Kessel geeft met zijn vrouw Othelende aan het klooster
Mariënweerd eene curtis in Barlo en Hovesdonk, eene mansus in het bosch van Barlo, een boomgaard bij de
kerk van Kessel en eene curtis in Oijen. Met deze curtis in Barlo en Hovesdonk is de hoeve de Kië bedoeld in het
Koesdonkerveld. Bij deze schenking trad een zekere Gerard de Barlo op als getuige. Een tweede vermelding van
de naam Barlo is aangetroffen in een oorkonde uit 1236. In dat jaar stichtte Hendrik, graaf van
Kessel in de kerk van Kessel een altaar ter ere van de Heilige Catharina en gaf daaraan een curtis te Kessel
en andere goederen. Hierbij trad een dominus Bert miles in Barlo op als getuige.
Huys ende Borch was een Gelders leen en vormde één van de vier versterkingen in het land
van Kessel. De bezitters van het kasteel hadden de meeste goederen en voorrechten van de heerlijkheid
Baerlo. Na de familie van Montfort werd de Borcht verkocht aan de familie die Klair en vervolgens beleend
aan de families Van Eyll (1505) en Van Laer (1637). Onder de leenhof ressorteerden de hoeve
Aen gen Eyndt (Aen Ing), de watermolen bij de Sprunk, 1/6 deel van de grote korentiend van Baarlo, de Kesseleiker
grote korentiend en de Kesselse hof Aenghen Put.
Tijdens de Gelderse oorlogen, aan het begin van de 16e eeuw, werd de veste Baarlo ingenomen. In de periode
1571-1578 werd de Borcht geplunderd en platgebrand. De heer van Eyll bouwde het kasteel echter weer op. Nadat het
kasteel overging in handen van de familie Van Laer tot Hoenlo is het gebouw omstreeks 1640/1650
vernieuwd.
In 1648 gaf het Hof van Gelderland te Roermond aan Johan van Laer verlof tot de oprichting van een laatbank.
Deze voerde een nauwkeurige administratie van de goederen die cijnsroerig (belastingplichtig) waren aan Huys
en de Borch. De Heer Johan Baptist de Bierens verkreeg door koop in 1690 de halve heerlijkheid van Baarlo
met burcht. De koop omvatte de heerlijke rechten. Deze bestonden onder andere uit de hoge, middele en
lage justitie dwz de criminele en civiele boeten, overdracht en levering van onroerend goed en de aanstelling van schout,
schepenen en gerichtsbode. Verder omvatten de heerlijke rechten onder andere ook het planten langs grote
wegen en op de 'gemeynte', de bijenstand, vis- en jachtrecht, het molenrecht, tiendrecht en
patronaatsrecht.
In 1762 vererfden de bezittingen aan de laatste telg uit de familie: Willem Raymond
de Bierens, grootdeken te Aken. Willem vermaakte de goederen bij testament aan Hendrik d'Erp.
Zegel Willem van Baerle
De Borcht anno 1612 (gravure)
De Borcht omstreeks 1630
Familiewapen d'Erp
Kaart Adam Blum 1752
Goederenpatroon
De Watermolen
Het molenrecht verleende de kasteelheer het recht om de bouw van een molen al of niet toe te staan.
Daarnaast kon hij de inwoners van de heerlijkheid dwingen om hun graan op zijn molen te laten malen.
De watermolen
bleef eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met het Huys ende Borch. In 1388 werd voor
het eerst melding gemaakt van deze onderslagmolen die men gebruikte voor de bemaling van graan. Stroomafwaarts, in de Vergelt,
stond nog een tweede watermolen.
De Sprunk
Naast de molen ligt een natuurlijke waterbron; de Sprunk. Deze deed lage tijd dienst als openbare
wasplaats en Bleckerije.
Ooit zal de Sprunk hebben voorzien in schoon drinkwater. De bron en de watermolen maakten deel uit van een goed
dat de Speulhof heette en dat niet ver van het kerkhof, de sprunk en de watermolen verwijderd lag. De exacte
locatie van deze hof is niet bekend.
Onderstaand de trancriptie van een stuk betreffende de openbare
aanbesteding voor het opmaken van de openbare wasplaats:
Den Sprung te maken 40 voet lang en 16 voet breed
en anderhalven voet diep als hij tegenwoordig is en
rontomme met vaaschienen te batten
en vast te maacken paalen, ider paal een voet
van malkanderen, alsmede de faschinen met
rossen te bekleeden; de sluyse moet goed sufficant
van eyken 2 duymsche planken, breed 1½ voet
en van vooren met 2 duymsche planken, dyt
te maacken en den Sprung voor 2 jaaren
t'onderhouden en sal 't hout tot de fachinen
van de gemeente aengeweesen worden, alsook
dry waschstoelen en een houtere vloer voor
de waschstoelen om op te staan, soolang
als noodig is, ende sal de aenneemer deser
..ost eene hegge van doorne planten pooten
binnen de leunen en moet den aenneemer
dese hegge in tijd van 6 jaaren in staet leveren
op pene dat in contrairen val sulx op sijne
kosten sal verhaalt worden, opgehangen op 100
gulden en opgegaan tot op 200 gulden, aengemijnd
bij Peter Opheijs.
Ten tijde van 't branden der kertse is nog
afgemijnd 71 gulden en naar uytbranden derselve
verbleven aen J: Holtackers, en heeft dese
ten effecte vandien eygenhandig geteeckent.
[w.g.]
Joannes Holtackers
samenstelling Herman van Megen