Het goederenpatroon in Baarlo

[door drs. P.J.G. Schinck]

Inleiding:

Welk goederenpatroon komen we tegen in het kerspel Baarlo vanaf de dertiende eeuw tot aan de Franse Tijd (1794-1814). Afhankelijk van de relatie met de eigenaar/bezitter bestonden er vele soorten goederen, zoals: allodiale, domaniale of domeingoederen, schepenbankgoederen of gemeyne goederen of gemeynte, leen- en cijnsroerige goederen (lijfgewinsgoederen), goederen van de Armen, goederen van de pastorije, van de kapelanije en van de kerk, de goederen van de geërfden, nieuwe erven of novaliën, konings nieuw en de vele woeste gronden van de heer of de gemeynte. Overdracht of transport van goederen om welke reden dan ook geschiedde tot aan de Franse Tijd door de plaatselijke schepenbank, eerst in 1796 komt te Baarlo het notariaat.

De ongereede goederen (onroerende goederen) van het kerspel Baarlo zijn tot 1798 globaal als volgt in te delen:

1 Huis en de Borcht is een Gelders leen; zie kaart van 1664, bezit veel cijnsgoed in de Bong, het Kerkveld, de Schafelt, deels Soeterbeek, de Vergelt, langs de Crommenwegh (Molenveld en Koesdonkerveldweg) en Hummeren. Riddermatig goed. Veel cijnsgoed of achterlenen (opsomming in 1744: totaal 477 cijnsgoederen te weten hoven weiden, akkerland, beemden, broekland, houtslagen, heide).

2 Huis de Berckt: leen met de Koesdonk, heeft cijnsgoederen tot aan de Vergelt en het Koesdonkerveld. Vanaf de 17e eeuw allodiaal.

3 De Boekenderhof is allodiaal, goederen gelegen ten zuiden van de Raay tot aan het Donkerveld en in de Vergelt. (Kartuizers te Roermond). Oorspronkelijk Gelders leen.

4 Huis de Raay is allodiaal, goederen rondom de Raay en daarenboven enige kleine cijnshoven met goederen in de onmiddellijke nabijheid. Riddermatig goed.

5 Huis Broekhuizen bezit huis Oyen (kerspel Kessel), Enckevoort, de koren- en oliemolen op Soeterbeek, Hagensgoed en de Bongaerthof bij de kerk alle Gelderse lenen.

6 Huis Blitterswijck bezit grote delen van de Voort met de hoven Oude en Nieuwe Voort. Leengoed.

7 De domeinen omvatten het gehele gebied van de Heytrick, deels Dubbroek/Tangbroek met de hoven Aldenborch, Braamhorst, Hagensgoed, Heert, Heyterick, Lemmenhof, Roskamp, Wenderick of Schans, Somp en de woeste gronden in dat gebied. Verder het gebied van Huissen met de: Huijserhof, de Rijt en de Haert, gebieden bijna uitsluitend bestaande uit broekland en het grotendeels hoog gelegen gebied de Horsten, gelegen aan de limiet met Kessel. Grotendeels woeste gronden. Het Eiland en de aanwassen van de Maas.

8 Familie Van der Horst Hof Hummeren en het zuidelijke deel van Hummeren, later aan de Borcht als cijnsgoed.

9 De hoven met goederen van de kerk en de pastorij lagen in het buurtschap Soeterbeek en her en der verspreid in het kerspel nog landerijen. Goederen van de kapelanij.

10 Goederen van de gemeente (gemeynte): woeste gronden, wegen, hoorslagen of hout slagen.

Gemeyne goederen:

Een groot deel van het goederenpatroon vormden de gemeyne goederen, veelal woeste gronden die uit diverse typen gronden bestonden: gemeynsbosch, sandtbergen, berghen, gemeyne broeck, gemeyne beemden, gemeyne maesgroesen, heide, gemeyne hoefslaghen enz.. Gemeyne weghen, gemeyne voetpaden, nabuerweghen waren ook gemeyne goederen, ze zijn bekend door de opsommingen van 1717 en 1738. Nabuurwegen waren wegen die alle kerspellieden mochten gebruiken, ze werden onderhouden door de bezitters van de aanliggende percelen, gemene wegen en paden werden onderhouden door het kerspel. Willem d'Olne, de dorpshistoricus, schrijft voor 1891 in zijn deels bewaard gebleven manuscript: Hoefslag zijn Gemeindegrunde, een constatering die ten dele juist is. Hoefslagen waren weide- en hooilanden met struikgewas voor de houtkap, waarover eenieder zich vrijelijk mocht begeven, ze waren of domeingronden, coninkx in de bronnen, of van de gemeynte. Feitelijk waren het woeste broekgronden. Het begrip coninkx kent Willem D'Olne niet, de koningsgoederen gingen in de 19e eeuw over naar de gemeente.

Volgens gegevens van het kadaster was in 1820 nog bijna tweederde van de oppervlakte van de gemeente Maasbree woeste grond. Die grond werd op grote schaal uitgegeven ter delging van de schulden van de gemeente, een erfenis van de Franse Tijd (1794-1814).

Allodiale goederen:

Allodiale goederen of vrije eigen goederen zijn goederen waar men vrij over kan beschikken, van de ene kant vergelijkbaar met eigendom, maar ook weer niet vanwege feodale rechten, die onder de competentie van de heer, de schepenbank of de plaatselijke heer vallen. Registers van allodiale goederen zijn er niet. Een paar voorbeelden van allodiale goederen in het kerspel Baarlo zijn: Boekenderhof vanaf 1396, de Roffart, de Raay en vanaf 1594 de Berckt. Van het eerste goed is bronnenmateriaal rijkelijk voorhanden in het archief van de Kartuizers van Roermond. Het bronnenmateriaal van de Raay is niet overvloedig.

Leengoederen:

Leengoederen zijn goederen die de leenheer in leen gaf aan de leenman. Ze werden geregistreerd in leenregisters en leenaktenboeken van het Hof van Gelder. Vanaf 1326 zijn er van deze goederen lopende registers. Leengoederen werden verheven voor de stadhouder van lenen (de leengriffier) aan het genoemde hof. De leenman deed een leeneed en natuurlijk kostte de verheffing een som geld, het heergewaad. In Baarlo waren o.a. de Borcht, hof Soeterbeek, Bongarthof bij de kerk, hof Inckevoort, de Hofakker, de hoven Grote en Kleine Berckt en de Koesdonk en hof de Voort rechtstreekse lenen en daarom geregistreerd in genoemde boeken. De oudste in cultuur gebrachte gronden waren of leengoederen of allodiale goederen van de huizen en hoven: Huys de Borgh, de Berckt ende Covesdonck, hof ten Boechout, hof Inckevoirt, de Raay, de Hofacker, Bongaerthof en de Kieën.

Voor zover de leenbezitters of de bewoners van hoven cijnsroerig goed wisten te verwerven, komen we de leenmannen en bewoners ook tegen in de cijnsboeken (pachtboeken) van de Borcht (1406-1797). Van de Berckt kennen we ook een cijnsboek uit de 18e eeuw. Cijns is een schatting, eenjaarlijkse belasting of pacht op grond, huizen enz. van de heer. De cijnspliehtige had een soort 'pacht- of huurcontract' met een grootgrondbezitter (leenheer).

In Baarlo waren in volgorde van omvang de volgende huizen en instanties in het bezit van ongereede cijnsroerige goederen: Huis en de Borcht Baerlo, domeinen of Landtheer, de Berckt, de kerk, de Raay. De cijnsgoederen van de Borcht zijn vanaf het laatste kwart van de 13e eeuw op de rol gezet, een tweede rol uit 1406 is in de vorm van een transcriptie van Willem d'Olne bewaard gebleven Vanaf 1506 zijn ze heel nauwkeurig te boek gezet en als onmisbare bron te raadplegen.

In de loop der tijden gaf de steeds verdere verdeling en versplintering van die goederen wel administratieve problemen. Eerst vanaf 1744 is bijvoorbeeld de administratie van de laatbank van de Borcht goed inzichtelijk te noemen en dat blijft zo tot 1797, in dat jaar vinden de laatste aantekeningen plaats. Voor 1744 worstelde men daarmee en raakte men vanwege een gebrekkige boekhouding de draad van de honderden cijnsgoederen regelmatig kwijt. Fragmenten van opsommingen van de cijnsgoederen van de kerk zijn fragmentarisch bewaard gebleven; er is een Register van renten aengaende de kercke van Baerlo 1696. Van de Raay is er geen opsomming of register van het cijnsgoed bekend. Als iemand zijn cijnsgoed wil verkopen of belasten moet hij toestemming (octroij) hebben. De heer krijgt van de overdracht de twaalfde penning, het goed moet met dubbele cijns verkregen worden en tevens dient men een halve rijksdaalder administratiekosten te betalen. De meeste kleinere en gemiddelde hoven en vele landerijen van Baarlo waren cijnsroerig goed, dat wil zeggen: ze vielen onder de bezitters van de Borcht.

Cijnsrollen:

De kerspellui uit Baarlo konden door een eed van getrouwigheyt en een som gelds zich laten gelden. behanden of te boek zetten aan hoven en landerijen tegen betaling van jaarlijkse cijns. Voor de zestiende eeuw sprak men zelden van te boek zetten of behanden, toen werd een cijnsgoed gegolden en schreef men ze op de rol. Zo ontstonden elke halve eeuw de cijnsrollen van 1406, 1455 en 1506. De rol van 1406 werd geschreven utter eynre fransijnne alder rolle over hondert jaer alt. Die rol uit de tijd vóór 1306 kennen we niet, ze zal ongetwijfeld minder dan 29 cijnsgoederen geteld hebben, het getal dat de rol van 1406 aangeeft. Het wettigt de conclusie dat van oudsher de bezitter Huvs Baerio of Huys ende Borgh BaerIe de belangrijkste grondheer was. Vermoedelijk stamt de eerste cijnsrol van het Huijs Baerlo uit de tijd van de verkoop van het graafschap Kessel aan de graaf van Gelder (1279).
De laatste rol werd geschreven in 1506, enkele jaren later werd de administratie gedaan in boekvorm. De cijnsboeken van de Borcht lopen van 1513 tot 1797. Het eerste cijnsboek van 1513-1663 vermeldt de mutaties van het betreffende goed niet altijd met een jaartal en net als in het tweede van 1624-1744 is er vaak geen beschrijving van de ligging. We spreken begin vijftiende eeuw over een vijftigtal huizen met goederen. Daaronder verschillende hoven met meer dan dertig morgen. Bijna al deze hoven raakten sterk verdeeld, een proces dat men in de cijnsboeken van de Borcht vanaf 1600 goed kan volgen.

Er waren ook een aantal hoven die van den beginne klein waren en bleven. Of het afsplitsingen waren van de grote cijnshoven? Sommige van die afsplitsingen zijn bekend. Een mooi voorbeeld is het Brouwersgoed, nu het pand hoek Marktstraat-Grotestraat. Een vijftal huizen in de onmiddellijke nabijheid komen uit 1 oude Brouwersgoed. Door de voortdurende delingen van de cijnsgoederen moest men wel een betere en nauwkeuriger administratie gaan voeren. In 1648 werd de administratie officieel geregeld en kreeg de Borcht na vele verzoeken bij de landsheer een laathof. Cijnsroerig goed of laatgoed viel onder de jurisdictie (rechtspraak) van die hof In de loop der tijden werd de registratie steeds uitvoeriger naar inhoud. De ligging van huizen en landerijen werd precies aangegeven.

Het hele cijnsboek van 1744 werd in 1793 'getekend', niet op schaal, maar in kleine schetsen naar folionummer. Aangegeven werden per folionummer het perceel of percelen en aanliggende percelen of wegen en de verwijzing naar het folionummer van het oudere cijnsboek. Een deel van die schetsen is bewaard gebleven in het archief van Kasteel Baarlo.

Conincksgoederen:

De gronden van de heer, de domeingoederen, werden conincksgoederen oud en nieuw genoemd. De bekende hoven de Braamhorst, Lemmenhof of de Clomp, Hetterichhof, de Schans, de Somp, de Pratwinkel, de kleine hoven In gen Heur en In den Sittaert, Aangen Heijen, de Roskamp, de Heert, het Woltersgoed, Meuwissengoed, in de Helle, Aan de Heije en een hof die in de Start (?) heette, stonden alle op koningsnieuw of oud domeingoed.

Het grote gebied Conings Nieuw strekte zich uit van het gebied ten noorden van de Raay tot de Hetterick, Tangbroek, Langbroek, Dubbroek en Soeterbeek, Huissen, de Rijt en de Horsten, gebieden met bijna uitsluitende broeklanden; zie Tranchotkaart: Van noordwest naar zuidoost loopt een corridor met woeste en natte gronden door het kerspel Baarlo. Tot in de twintigste eeuw waren in dat gebied talloze kuilen, kleine meertjes, kóele' (volksmond). Het kleine kerspel telde ontgonnen en niet ontgonnen gebieden en hoven, alle tot 1798 domeingoederen van de heer (hertog, koning), daarna domeinen van het rijk. Blijkens registers ging de tiende van dit gebied naar de verschillende gebiedende heren en de cijns naar de rentmeester in het Land van Kessel. In een bijlage wordt verwezen naar Sijne Coninclycke Majestyts Chins Terriere. (RAL 16. 1117 Kasteel Baarlo, inv.nr. 333).
Het gehucht Soeterbeek is het meest aparte gebied van het hele kerspel, gelet op het bezit van de goederen: Ten noorden van de Soeterbeeckstraete is alles domeingoed, ten zuiden van de genoemde weg is de kerk Landtheer; in de richting van de Bong ligt het cijnsgoed van de Boreht, het westelijke deel is bezit van Van Broekhuizen. Domeingoederen vielen rechtstreeks onder de heer: de graaf, hertog, later koning van Pruisen. De verschuldigde gelden voor het gebruik daarvan gingen rechtstreeks naar de kassen van de dominus (de heer) via de rentmeester van het Land van Kessel. Domaniale goederen werden ook uitgegeven om te ontginnen; ze werden dan aangegraven, bijvoorbeeld de eerder genoemde Nieuwkamp. Die landerijen werden nieuwe erven of Heeren Novalien genoemd; zie Cijnsboek van de nije erven Landt van Kessel. De administratie geschiedde middels beurregisters die aanvankelijk de pastoor van Baarlo bijhield; ze bevatten jaar van aangraven, een opsomming van geërfden en de grootte van het perceel en de betaalde prijs. Aangegraven woeste allodiale gronden heetten novalien allodiaal; zulke gronden hoorden bijvoorbeeld bij de cijnsroerige hof Schereshof of bij het allodiale goed de Raay en de Boekenderhof De schepenbank werd belast met de administratie van deze nieuwe erven. Met de komst van de Fransen in 1794 werden niet alle grondheerlijke zaken over boord gezet en de veranderingen waren aanvankelijk minder ingrijpende dan vaak wordt gesteld, wat blijkt uit de Lijste der Erfcijnsen betaald den 30 Jannuarij 1827 voor het jaar 1826 St. Andries (30 november) aan de Borcht. De vaerthins, de niet erfelijke cijns, is dan wel verdwenen.

Goederen van de armen, de pastorie en kapelanij:

De goederen van den Armen vielen onder het beheer van de schepenbank en de kerk, de parochie en het kerspel benoemen de armen- meesters. Uit de registers blijkt dat naast allodiaal goed en cijnsgoed, den Armen ook leengoed bezaten. Het register van 1729 van deze stichting vermeldt 35 onroerende goederen. Tenslotte het onroerend goed van de kerk, de pastorie en kapelanij. Het eerste goed bracht renten (pacht) op voor de kerk, de goederen van de stichting de pastorije dienden voor het levensonderhoud yan de pastoor. De pastoor had de goederen in eigen beheer of verpachtte de goederen. De kerk was Landtheer (leenheer) van Buyskenshof, Woltersgoed en van landerijen. Een vergelijkbare situatie bestond er voor de Pastorije en de Capelanije o.a. de Grubbenhof sinds 1678 een onderdeel van de laatste stichting. De landerijen (leengoederen) van de pastorie zijn bekend, er vielen geen hoven of boerderijen onder.

Toponiemen en overzichtskaarten:

In de cijnsboeken en de administratie van de schepenbank van de transporten van ongereede goederen vinden we talloze oude toponiemen. De schatrekeningen en rekeningen van die schepenbank geven eveneens veel informatie. Het is zaak die bronnen te raadplegen, wat voor een groot gedeelte is geschied, er blijven nog leemten omdat de schepenbank van Baarlo nog steeds niet geordend is en daardoor moeilijk te raadplegen. Na 1800 kan men toponymische namen in het kadaster, in het gemeentelijk archief en in het notariaat zoeken. De mondelinge overlevering vormt daarnaast een welkome aanvulling. Detailkaarten van de gezworen landmeters brachten delen van het kerspel voor 1794 in kaart, zij het schetsmatig. Vanaf het begin van de achttiende eeuw worden de kaarten veel nauwkeuriger. Het kaartenmateriaal voor 1800 bestaat uitsluitend uit detailkaarten van de landmeters van het Overkwartier van Gelder: A.Blum, H.van Heijst, R. Jûrgens, Lennert Michiels en J.J.Smabers. De detailkaarten hadden betrekking op kleine gebieden, werden gemaakt vanwege de belastingheffing, of conflicten over grenzen van percelen, of verplichte opsommingen of onenigheid over de op- en aanwassen van de Maas. De eerste overzichtskaart van het kerspel maakte Adam Blum in 1752. De kaart heeft betrekking op de hele oostelijke helft van het kerspel Baarlo. Het westelijke deel ontbreekt, wat vreemd mag heten, men maakte immers kaarten om een goed beeld te krijgen van al het onroerend goed en de lasten die men mag innen. We zagen reeds, dat het westelijke deel grotendeels uit domeinen bestond. Zie punt zes hierna volgend. Verder de allodiale goederen de Raay en Boekenderhof en de cijnsgoederen van de Borcht in de Bong en op Soeterbeek. Ongetwijfeld was er sprake van een plan om van heel het kerspel een overzichtskaart te maken om zodoende ook de domeingoederen goed in kaart te brengen. Is deze veronderstelling juist?

In de Franse Tijd ontstonden onder leiding van overste Tranchot de bekende zogenaamde Tranchotkaarten. Het kerspel en commune Baarlo vinden we op kaart 33 Venlo van de Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und M"ffling 1803-1820, een kaart met talloze topografische fouten waar luitenant Schultze in 1818 voor tekent, echter ook een kaart die een prachtig beeld geeft van de landbouwhistorische en historisch- vegetatiekundige situatie van de 16e tot einde 18e eeuw. Rond 1800 is van de dekzanden ten westen van de vijfde Maasarm ongeveer 20% in cultuur gebracht. De woeste dekzandgronden (heide, moeras of broek, venen, natuur- bossen vormden nog 80% ongerepte peel. De fouten die de cartografen maakten ten aanzien van de toponiemen en hun situering komen bij verschillende veldnamen aan de orde. Van de minutenkaarten van 1825 is de tweede kaart van sectie C verloren gegaan. De kaart omvat het gebied ten oosten van de Napoleonsbaan. Wel is er een voorlopige overzichtskaart van deze kaart. Vanaf 1843 zijn er de kadasterkaarten en de daarbij behorende aanwijzende tafels vertellen alles over percelen en hun eigenaren en geven informatie over de bodemgesteldheid.
Er is verder een uittreksel uit de sectie C van de kadasterkaart van 1842 uit 1880, die een beeld geeft van de situatie van 1842-1878 van de kom van Baarlo. De Rivierenkaart van 1850, die alleen het oostelijke deel van het dorp Baarlo nauwkeurig in kaart brengt, is in dit kader belangrijk. Veel wordt er verwezen naar de kaart uit 1897, die meer gebiedsnamen kent dan de kadasterkaarten uit 1892, die verbeterd zijn in 1915. Die laatste kaarten zijn te vinden in het archief van de gemeente Maasbree. Het notariaat bevat soms nog aardig bronnenmateriaal, het steunt op de eerder genoemde aanwijzende tafels van het kadaster.


Het kerspelgezag hield enige administratie bij van de wegen, zie de verwijzingen naar 1717 en 1738, een werkwijze die in de negentiende eeuw door de gemeente werd voortgezet. In de twintigste eeuw kwam de gemeente niet verder dan een eenvoudige registratie van wegen. Naamsverklaringen komen in het gemeentelijke wegenregister niet voor, een duidelijk gebrek aan historisch besef.



[De volledige tekst leest U in de uitgave: Goederen van naam I - sprokkeling 41 2007]